Op 1 oktober 2020 en 1 januari 2021 is het Nederlandse beslag- en executierecht gemoderniseerd en verbeterd (en soms wat verslechterd). Een greep uit de wijzigingen:

–        De deurwaarder mag in beslag genomen spullen (eindelijk) gaan verkopen via internet, waardoor het aantal potentiele kopers aanzienlijk zal toenemen. Voor de verkoop hoeven geen “biljetten” meer te worden “aangeslagen” (lees: posters worden opgehangen) en krantenadvertenties te worden geplaatst. De opbrengst gaat dus omhoog, terwijl de kosten omlaag gaan. Een positieve ontwikkeling waar de praktijk al lang om vraagt.

–        Onder de oude wetgeving was het verboden om beslag te leggen een vrij beperkt aantal persoonlijke zaken, die bovendien op een lastige manier waren omschreven. Deze regels zijn uitgebreid en gemoderniseerd. Opvallend is daarbij dat geen beslag mag worden gelegd op spullen die de beslagene en zijn huisgenoten “redelijkerwijs nodig hebben voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan, dan wel voor hun scholing of studie”. Daar zou dus bijvoorbeeld een laptop of dure inventaris (gemakkelijker dan voorheen) onder kunnen vallen. Voor “bovenmatige” zaken gelden de beslagbeperkingen overigens niet.

–        Er mag geen beslag meer worden gelegd indien voorzienbaar is dat de kosten van het beslag en de verkoop hoger zullen zijn dan de opbrengst. Dit is feitelijk slechts een vastlegging van wat in de jurisprudentie al veel langer gold.

–        De termijn waarbinnen een derde onder wie beslag is gelegd een verklaring moet geven over de vraag of het beslag doel heeft getroffen, wordt teruggebracht van vier naar twee weken. Beslagleggers moeten vaak binnen twee weken een procedure starten (de zogenoemde ‘eis in de hoofdzaak’) en hoeven dit door deze verkorte termijn waarschijnlijk niet meer te doen zonder het succes van het derdenbeslag te kennen. Daardoor kunnen betere procesbeslissingen worden gemaakt.

–        Beslag op huisdieren is in veruit de meeste gevallen verboden geworden. Dit is, wat mij betreft, een onnodige beperking van het beslagrecht.

–        Bij beslag op loon, pensioen en andere zogenoemde periodieke betalingen bleef onder de oude wetgeving altijd een bedrag onbeslagen, de zogenoemde beslagvrije voet. Dit bedrag kan de beslagene gebruiken om in basisbestaan te voorzien, bijvoorbeeld voor voedsel, kleding en onderdak. Bij beslag onder banken gold deze beperking niet. Het kon daardoor profijtelijker zijn om beslag te leggen op loon dat zojuist op een bankrekening was gestort dan op datzelfde loon terwijl het zich nog onder een werkgever bevond. Dit verschil wordt in de nieuwe wetgeving met ingang van 1 januari 2021 rechtgetrokken. Ook voor bankrekeningen geldt daarna een (maandelijkse) beslagvrije voet.

–        Per 1 januari 2021 kan een beslaglegger voorafgaand aan een beslag aan een bank vragen of de beslagene een positief saldo bij de betreffende bank heeft. Door niet direct beslag te leggen, kan de beslaglegger dus kosten besparen. Voor zogenoemde conservatoire beslagen blijft bankbeslag een gok.

          Een deurwaarder die beslag wil leggen op een auto of een aanhanger moet dit voertuig momenteel eerst fysiek vinden, ook als hij niet van plan is om het voertuig na het beslag direct mee te nemen. Onder de nieuwe wetgeving kan vanaf 1 april 2021 het beslag worden ingeschreven in het kentekenregister van de RDW en hoeft dus geen zoektocht te worden opgezet. Aan de eigenaar van het voertuig wordt na de beslaglegging een mededeling van het beslag betekend.

Tot slot: de nieuwe spelling wordt doorgevoerd in de wet! Woorden als ‘regtspleging’, ‘geregtshof’, ‘regtsgeding’ en ‘schuldeischer’ in oude artikelen worden aangepast. Men zou bijna nostalgisch worden…